De ervaring van ...


Driek Van Wissen

In de achteruitkijkspiegel

Vier keer per jaar een gedicht schrijven voor de NRC over de actualiteit van enig belang  en verder de poëzie bevorderen in de ruimste zin des woords. Dat was de opdracht die ik vier jaar geleden bij mijn uitverkiezing tot tweede officiële Dichter des Vaderlands meekreeg. Een vagere taakomschrijving is nauwelijks denkbaar. Maar meer was eigenlijk ook niet nodig. Zodra ik verkozen was, bleek de uitverkiezing in elk geval zoveel publiciteit getrokken te hebben dat velen mij wisten te vinden en de functie als vanzelf vorm en inhoud kreeg.
De verzoeken om ergens op te treden en om bij allerlei gelegenheden een toepasselijk gelegenheidsgedicht te schrijven waren van het begin af aan zeer talrijk. Ik heb er meestal met genoegen gevolg aan gegeven. De gelegenheden varieerden van de start van de fakkeltocht op 4 mei in Wageningen tot het wereldkampioenschap snertkoken in Groningen, de inhuldiging van onze succesvolle wintersporters na de Olympische Winterspelen in 2006 in Zwolle en de presentatie van de eerste oranje brievenbus in Den Helder. En bij al dit soort evenementen schreef ik niet alleen een gelegenheidsgedicht, ik bracht die gedichten daar ook ten gehore. Maar even goed schreef ik dichterlijk voorwoorden bij een bundel kindergedichten van de Stichting “Doe een wens” en een groentekookboek en ik schaamde mij er ook niet voor om in opdracht een gedicht te maken voor in het trappenhuis van het nieuwe gebouw van Achmea in Zwolle of een sinterklaasvers voor het personeel van onder andere Albert Heijn, Het Kruidvat en het Fonds voor de Letteren. Het zijn maar een paar voorbeelden van de pakweg 700 gedichten die ik in mijn ambtsperiode uit mijn dichterpen heb laten vloeien.

Het zal duidelijk zijn dat er in veel gevallen een min of meer royale vergoeding tegenover stond, terwijl ik natuurlijk geen geld heb gevraagd voor de gedichten die ik schreef voor  De Zonnebloem, het Willem-Alexander Kinderfonds of de Stichting Lezen en Schrijven. Maar al bij al kan een Dichter des Vaderlands die consciëntieus en vlijtig zijn taak uitoefent er royaal van leven. Een vast salaris zoals wel eens gesuggereerd wordt is volgens mij dan ook niet nodig. Ik moet er niet aan denken, een dichter in loondienst. Wij dichters zijn en blijven vrije jongens.

En ik was blij dat ik ook zo nu en dan de vrijheid had om verzoeken te weigeren. Zo heb ik geen gevolg gegeven aan de talrijke vragen om gedichten te schrijven bij huwelijken,  verjaardagen en jubilea van onbekenden, al bood men mij er soms een fiks bedrag voor. Ook de kelk van gedichten voor allerlei studentenalmanakken heb ik vrij hardnekkig aan mij voorbij laten gaan en ik heb bijvoorbeeld wel gesproken voor nette partijen zoals Groen Links, de PvdA en de VVD, maar als Geert Wilders of Rita Verdonk mij gevraagd zou hebben, had ik het niet gedaan. Maar dat is dus niet gebeurd.
Ook de voordrachten uit eigen bestaand werk zijn talrijk geweest. En dat overal. Op scholen, in verzorgingshuizen, studentensociëteiten en TBS-klinieken, voor huisvrouwen, bouwvakkers, Rotarians en dijkgraven, kortom dikwijls voor mensen die meestal niet tot de vaste kleine club van doorgewinterde poëzieliefhebbers behoorden en die vaak verrast waren dat poëzie ook begrijpelijk en aansprekend kan zijn.

Maar ik had ook veel andere bezigheden. Per dag zat ik als Dichter des Vaderlands sowieso al een uur of twee achter mijn pc om de zeer diverse post te verwerken en die ging dan vaak over andere zaken die met de poëzie te maken hadden. Velen stuurden mij bijvoorbeeld hun (vaak niet al te beste) eigen gedichten op ter beoordeling. Daar heb ik maar gedeeltelijk en niet al te grondig gevolg aan gegeven (dat vond ik ook niet mijn taak), maar ik heb me meestal mild over de proeven van bekwaamheid uitgelaten en er in elk geval een stimulerend woord aan gewijd. Ook wat betreft de regelmatige verzoeken om deel uit te maken van jury’s van dichtwedstrijden en dergelijke heb ik nooit nee gezegd. En tel daar nog eens de vele openingen van vooral tentoonstellingen van beeldende kunst bij op en andere openingshandelingen zoals het planten van een eerste struik op de Struikplantdag plus de keren dat ik het eerste exemplaar van een of ander boek in ontvangst mocht nemen of actief aanwezig was bij talloze symposia en congressen en men zal begrijpen dat een Dichter des Vaderlands op zijn minst een volledige dagtaak heeft met zeer onregelmatige werktijden.
Maar ik vond het wel een mooie baan. Men hoeft de functie natuurlijk niet voor honderd procent serieus te nemen, de archaïsche titel “Dichter des Vaderlands” bergt al een zekere ironie in zich, maar ik heb wel gemerkt dat mijn aanwezigheid toch vaak extra cachet aan de betreffende bijeenkomst gaf, wat zowel door organisatie als publiek zeer gewaardeerd werd. En ik kwam in de gelegenheid om, net zoals de vele stadsdichters, een steentje bij te dragen aan de verdere verspreiding en popularisering van de poëzie. En het is te hopen dat mijn opvolger of opvolgster deze lijn zal voortzetten en zich niet zal opsluiten in de ivoren toren van de elitaire poëzie die slechts aan een enkeling gegeven is en voor weinigen bestemd is.