Een op drie


Een op de drie heeft een gelukssteen,
gekregen van een op de drie boezemvrienden,
die daar in geloven. Een op de drie poezen
zit op dit moment voor het raam
en een op de drie spraakberichten
blijft onbeluisterd: mijn vertwijfelde stem
eeuwig vast in de klankkast van de ether.

Een op de drie is al verloren
vóór het startschot klinkt, maar vangt toch aan,
probeert het. Van mij mag je wel tien
van de dertig koekjes eten, wat deert het?
Ondertussen vindt een op de drie verkenners
moeiteloos de weg terug naar het kamp,
waar alledrie de paarden drinken.

En een op de drie krijgt kanker.
Ziet de arts de gang op komen,
weet eigenlijk de uitslag al.
Die blik: de proclamatie van een ramp.
— Ziet het gewone leven op een sloepje stappen,
is de galeislaaf bij zijn eigen zinken.